Toneelstuk
HET PROCES
een toneelstukje op basis van het boek ’Het geheim van de zandloper’
(Een gerechtsdienaar stampt met een stok op de vloer en roept: ‘Stilte’! Het proces begint.’)
( Aisling komt de rechtzaal in neemt plaats op een stoel vóór de publieke tribune. Ze ziet er fraai en kleurig gekleed uit. De bisschop, als ondervrager aangesteld, komt binnen. De bisschop draagt een rode of paarse mantel met bijpassende smalle hoge muts. Aan zijn hand draagt hij een fonkelende bisschopsring. Hij neemt plaats achter een grote tafel. Twee gerechtsdienaren gaan naast de bisschop zitten. Na een paar seconden geeft de staande gerechtsdienaar een teken aan Aisling om te gaan staan. De bisschop leest de aanklacht voor)
Bisschop: ‘Vrouwe Ryteler, u staat terecht wegens twee ernstige aanklachten. U wordt beschuldigd van hekserij en het vermoorden van uw drie echtgenoten… met hulp van de duivel.’

de bisschop van Kilkenny en zijn
medewerkers verhoren Aisling Ryteler
(Aisling hoort de aanklacht onbewogen aan. De bisschop slaat een dik boek open)
B: ‘In dit boek staan alle kenmerken van heksengedrag. Een van mijn dienaren heeft in uw huis een afgesloten ruimte gevonden waar we flesjes kruidendrank, zalf om te kunnen vliegen en een stok aantroffen. Hoe verklaart u dit, vrouwe Ryteler?’
Ryteler: ‘De kruidendrankjes zijn gemaakt voor mezelf en William ter genezing van ziekten. De stok neem ik vaak mee als steun bij het wandelen in de bergen.’
B: ·‘Die stok is geen bezemsteel om mee te vliegen?’
R: ·‘Nee. En de zalf is geen vliegzalf, maar een zalf tegen rugpijn. Als u denkt dat het vliegzalf is, raad ik u aan het zelf eens te proberen.’
B: We hebben meer gevonden, vrouwe Ryteler. Toverspreuken en een hostie met een afbeelding van de duivel erop. Hebt u hier ook een gewone uitleg voor?’
R: ·‘Nee. Omdat deze voorwerpen niet in mijn huis lagen.’
B: ‘Onze onderzoekers hebben ze anders wel bij u gevonden.’
R: ‘Het is niet zo’n kunst iets stiekem neer te leggen en dat na een paar minuten zogenaamd te vinden.’
B: ‘Dus u veronderstelt bedrog van mijn onderzoekers?’
R ‘Ik veronderstel niets, ik probeer een verklaring te geven voor iets dat niet van mij is.’
B: ‘We hebben dille in uw kruidentuin gevonden, waarvan algemeen bekend is dat dit gebruikt wordt bij toverspreuken en hekserij.’
R: ‘Dan weet u meer dan ik.’
B: ‘U bent in het bezit van twee zwarte poezen?’
R: ‘Ja, ik hou van katten.’
B: ‘Een van de kenmerken van heksen is dat zij altijd een zwarte kat hebben. Een zwarte kat is de vermomming van de duivel op aarde.’
R: ‘Dat kan wel zijn, maar moet dan iedereen een kat met een andere kleur nemen om niet voor heks uitgemaakt te worden?’
B: Een van mijn dienaren heeft u bij een meertje in het bos op uw landgoed in uw eentje zien dansen?
R: Ik zwem bijna iedere dag, als het weer het toelaat en vóór het zwemmen doe ik altijd een aantal oefeningen.
B: Waarom zag mijn dienaar u ’s avonds zwemmen?’
R: ‘Ik zwem iedere dag ’s morgens. Het moet een keer geweest zijn dat ik er overdag niet aan toegekomen was.’
B: ‘En waarom naakt?’
R: ‘Gaat u soms met kleren aan in bad?’
B (in zijn dikke boek kijkend). ‘Het staat vast dat heksen bij voorkeur ’s avonds in het bos voor de duivel naakt dansen.’
R: ‘Ik heb niet gedanst, ik deed mijn oefeningen.’
B: ‘U ontkent dat u in het bos gezwommen heeft?’’
R: ‘Ja, ik zwem niet in het bos, maar in het water.’
B: (na een paar tellen) ‘In dit boek staan veel kenmerken van een heks die op u van toepassing zijn.’
R: ‘Ik heb u al…’,
B: (haar onderbrekend) ‘Vorige zomer was er in deze streek een misoogst. Het graan werd verwoest door enkele langdurige hagelbuien die al jaren niet meer in deze streek voorgekomen waren. Een heel vreemd verschijnsel, nietwaar?’
R: (haalt haar schouders op) ‘Wat heeft dat met mij te maken?
B: ‘Een ander punt, vrouwe Ryteler. Uw vermogen aan geld heeft zich na de dood van uw eerste echtgenoot vermeerderd. Na de dood van uw tweede echtgenoot Adam Le Blond, die al het geld had verbrast, kocht u uw buitenhuis in Mishaloe terug en eveneens op de markt de duurste stoffen. Waar kwam dat geld vandaan? Was dat soms afkomstig van Satan?’
R (even van slag, maar zich snel herstellend):‘Voor ik naar deze streek kwam, had ik veel geld van mijn moeder geërfd. Dat geld hield ik verborgen.’
B: ‘Dus dat deelde u niet met uw echtgenoten?’
R: ‘Nee, en dat was maar goed ook, anders had Adam Le Blond dat ook nog vergokt.’
B: ‘Dus u was niet eerlijk.’
R: ‘Het was de erfenis van mijn moeder.’
B: (zich tot de zaal wendend, blij dat hij een zwak punt bij vrouwe Ryteler heeft ontdekt) ‘Hier ziet u een voorbeeld van bedrog, een duivels bedrog. Dragen vrouwen niet altijd de duivel in zich? Was het niet Eva die in het paradijs Adam verleidde van de appel te eten?’
R: ‘Adam had gewoon nee kunnen zeggen.’
B: ‘Welke vrouw weigert haar man te helpen de schulden te vereffenen en koopt vlak na diens dood een tweede huis? Is het niet veel beter nederig te zijn?’
R: (staat op, fel). ‘Waarom hebt u dan zelf een weelderig paleis gebouwd, als u vindt dat het leven hier op aarde niets voorstelt? Waarom wilt u mijn landhuis en mijn landgoed hebben? Is dat nederigheid?’
B: (zwijgt, uit het veld geslagen, maar herstelt zich) ‘Waarom, vrouwe Ryteler, had u eigenlijk een tweede huis?’
R:‘Het was het huis van mijn eerste echtgenoot, William Outlawe. Zijn zoon, William, kwam er heel graag. Mijn tweede man had het verkocht om met de opbrengst ervan te kunnen gokken. Ik vond het niet meer dan rechtvaardig om het buitenhuis zo snel mogelijk terug te kopen.’
B: ‘Wat deed u daar zoal?’
R: ‘Paardrijden en wandeltochten maken langs de zee.’
B: ‘Of de duivel ontvangen en gifpoeders bereiden?’
(R haalt haar schouders op)
B: ‘Draagt u niet altijd kleurige kleding?’
R: ‘Ja.’
B: ‘En weet u niet dat alle kleuren tot het instrumentarium van Satan en zijn trawanten behoren?’
(R. ziet de veelkleurige ring aan de vinger van de bisschop fonkelen)
R: ‘Ik zie uw ring alle kleuren weerspiegelen. U draagt een rood gewaad met goud doorstikt. Kleuren die u waarschijnlijk even mooi vindt als ik. Moet ik u daarom van duivels gedrag beschuldigen?’
(De bisschop draait snel zijn hand en is even van zijn stuk gebracht)
B. ‘De vrouw is een noodzakelijk kwaad...’
R (hem onderbrekend) ‘Geldt dat ook voor de maagd Maria?’
B: ‘… en een natuurlijke verleiding. Haar kleurige schoonheid, in stand gehouden door de duivel zelf, stelt haar in staat de man te verleiden in een dodelijke betovering. U hebt met de gevonden kruiden drie echtgenoten vergiftigd. U hebt uit hebzucht, met steun van de duivel, uw vermogen uitgebreid. Geeft u dat toe?’
R: ‘Nee. Maar als u twijfelt aan de doodsoorzaak van mijn echtgenoten, waarom roept u de dokter niet op als getuige?’
B: ‘Iedereen in Kilkenny weet dat dokter Lismoore in ruil voor drank veel tekent, vrouwe Ryteler.
B: (in het dikke boek kijkend) ‘In dit boek vind ik te veel bewijzen om in uw onschuld te geloven, vrouwe Ryteler.’
R: (hem strak in de ogen kijkend) ‘Wie kwaad wil, monseigneur, weet altijd een stok te vinden om mee te slaan, weet altijd wel van een mogelijke aanwijzing een bewijs te maken.’
B: ‘U beseft dat de paus zelf ons het recht heeft gegeven een verdachte te folteren tot er een bekentenis volgt?’
R: ‘U doet maar, uiteindelijk zal ik zeker bekennen, maar wees er dan niet trots op. Als ik u zou laten martelen, zult u ten slotte ook hekserij of moord bekennen. Of denkt u van niet?’
(R. kijkt hem spottend aan; B wordt boos en roept schreeuwend uit)
B:‘Jij gifmengster! Jij, koppige ketter! Beken!’
R: ‘Ik beken niet.’
B: (kwaad) ‘Ik schors de rechtszaak!
(Iedereen verlaat even de rechtzaal.
Intermezzo muziek
(Allen keren weer op hun plaats terug, maar in plaats van Aisling komt nu haar bediende June binnen en gaat op een stoel vóór de publieke tribune zitten; een gerechtsdienaar geeft een teken aan June om te gaan staan.)
Bisschop: ‘June, u bent de bediende van vrouwe Ryteler?
June: Ja, monseigneur.’
B: U wordt beschuldigd van hekserij en hulp aan vrouwe Ryteler bij het ombrengen van haar drie echtgenoten.’
J: ‘Ik heb niets gedaan. Ik weet nergens van.’
(June gaat weer zitten, met een angstige blik. De bisschop pakt een dik boek van de tafel)
B: ‘Wist u dat uw meesteres zich bezighield met gif mengen?’
J: ‘Ik hielp de vrouwe soms met het bereiden van kruiden.’
B: ‘Voor wie?’
J: ‘Voor ons, voor William, voor haar echtgenoten, voor mij.’
B: ‘Wist u wat voor kruiden dat waren?’
J: ‘Sommige wel, andere niet.’
B: ‘Gaf ze die kruiden als drankje?’
J: ‘Meestal wel.’
B: ‘Vindt u het niet vreemd dat drie echtgenoten van uw meesteres vrij kort na hun huwelijk zijn overleden?’
J: ‘Dat is toeval, denk ik.’
B: ‘Was u erbij toen ze overleden?’
J: ‘Ja, ik was erbij toen de dokter hun doodsoorzaak vaststelde.’
B: ‘Had uw meesteres een goede verhouding met haar echtgenoten?’
J: ‘In het begin wel, maar later niet meer.’
B: ‘Dus ze had alle reden om hen te vergiftigen?’
J: Mijn meesteres had wel eens ruzie met haar echtgenoten, maar dat komt in de beste families voor.
B: ‘Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik vroeg: dus ze had alle reden om hen te vergiftigen?’
(June houdt haar lippen stijf op elkaar)
B: ‘U weigert antwoord te geven op zo’n belangrijke vraag?’
(De trouwe kamenierster blijft zwijgen)
B: ‘Dan schors ik de zitting en zullen we op andere wijze het antwoord van deze verdachte zien te krijgen.’
(Allen verlaten de zaal, behalve een verteller. Dat kan een gerechtsdienaar zijn.)
Gerechtsdienaar:June werd weggeleid naar de gevangenis waar in de kelder allerlei martelwerktuigen stonden. Ze werd geslagen, maar ze hield haar kaken stijf op elkaar. Ze kreeg geen eten meer. Elk uur werd een volle emmer koud water over haar heen gegooid. Vastgebonden op een apparaat werden haar ledematen uitgerekt.
Aisling hoorde in haar cel de pijnkreten van June. Zelf zou ze het niet zo lang uitgehouden hebben…De zesde dag stortte June in en bekende alles wat de bisschop haar dicteerde: dat haar meesters een heks was die haar drie echtgenoten had vermoord. Dat zij zelf een heks was en geholpen had bij het bereiden van de giftige kruiden. Ze zou zelfs bekend hebben haar eigen moeder vermoord te hebben, als ze maar ophielden met martelen.
(De bisschop komt de zaal binnen. Een gerechtsdienaar haalt bij de deur de door de martelingen zwaar gehavende June op en brengt haar, haar ondersteunend, naar haar stoel. De bisschop en de twee gerechtsdienaren nemen weer plaats naast de bisschop)
B: ‘June, U erkent dat Aisling Ryteler een heks is die haar drie echtgenoten heeft vermoord?
(June kan nauwelijks opstaan van haar bankje)
J: ‘Ja, monseigneur.’
(June gaat weer zitten en buigt het hoofd.)
B: ‘Wij hebben niet anders gedaan dan de richtlijnen gevolgd die de paus, op aarde de plaatsbekleder van God, ons heeft gegeven om ketters op te sporen en te berechten. De duivel vaart bij voorkeur het lichaam van een vrouw binnen, omdat ze zwakker is dan een man. Alleen met de hulp van Satan slaagt ze erin toe te slaan.’
(Hij zwijgt even)
B: ‘June, u hebt gisteren een volledige bekentenis afgelegd: u hebt toegegeven heks te zijn en u hebt bekend door uw meesteres ingewijd te zijn in de meest verderfelijke heksenpraktijken. U hebt verklaard dat u, samen met uw meesteres, hosties maakte met het hoofd van Satan erop en dat u die hebt opgegeten. U hebt toegegeven uw meesteres geholpen te hebben bij het mengen van giftige kruiden met als doel het doden van haar drie echtgenoten. Daarom, June, verdient u eeuwige verdoemenis en veroordeel ik u tot de dood door verbranding. Morgen zal het vonnis worden voltrokken op het marktplein.’
(June wordt, het hoofd diep gebogen, door een gerechtsdienaar rechtzaal uitgeleid.)
B: (tegen een gerechtsdienaar)’ Haal Aisling uit haar cel.’
(De gerechtsdienaren verdwijnen en komen even later met vrouwe Ryteler terug; Aisling Ryteler binnen en de gerechtsdienaren nemen weer plaats naast de bisschop. De bisschop wendt zich nu tot Aisling die hem onbewogen in de ogen kijkt)
B: ‘Vrouwe Ryteler, uw bediende, June, heeft verklaard dat u een heks bent en zich inlaat met duivelse praktijken. Ze heeft toegegeven dat u ’s nachts het bos inging om voor de duivel te dansen. Ze heeft verklaard dat u uw drie echtgenoten heeft omgebracht in opdracht van de duivel en u hun vermogen heeft gestolen. Vrouwe Aisling Ryteler, u bent een verwerpelijk persoon die uit de samenleving verwijderd moet worden. Op grond van de eerdere ondervraging en vooral de getuigenis van uw bediende June verklaar ik u schuldig aan hekserij en moord op uw drie echtgenoten en veroordeel ik u tot de galg.’
R: ‘U weet hoe de bekentenis tot stand is gekomen. June zou zelfs bekend hebben haar eigen kind vermoord te hebben na zoveel folteringen. Ik hecht daaraan geen enkele waarde. In deze zaal stinkt het naar uw leugenachtige vuilspuiterij. U bent alleen op mijn bezittingen uit.’
B: ‘Het vonnis zal maandag worden uitgevoerd.’
R: ‘Ik zal niet bij mijn terechtstelling aanwezig zijn.’
(Allen verlaten de zaal)