Lezing bij Open Dag van het Westfries Archief

Terug naar boek 'De waterwolf'

Schardam, 12 oktober 2008

Ik ben André Nuyens, kinder- en jeugdboekenschrijver uit Hoorn en ik wil jullie graag vertellen waarom het Westfries Archief voor mij belangrijk is en hoe een verhaal tot stand komt. Het onderwerp van de Open Dag 2008 is ‘verhalen vertellen’ en daar houdt een schrijver zich meestal mee bezig.

Duizenden jaren geleden waren er bijna geen mensen die konden schrijven. Maar er waren wel verhalen. Degenen die dat het beste konden, waren de vertellers. Zij vertelden prachtige verhalen over de jacht op een mammoet of een beer. En later over de verovering van een geliefde. Smeuïge verhalen waren dat meestal .Sterke verhalen ook, ook al wist je dat het waarschijnlijk niet helemaal waar was. Het was toch heerlijk om naar te luisteren. Zittend tussen een groep dorpsgenoten in de iglo, zittend in een hut of later bij het haardvuur in een kasteel. Die verhalen werden doorverteld: van vader op zoon, van moeder op dochter. Verhalen vol avonturen, spanning en humor. Sprookjes, legendes, voor een deel waar, voor een groter deel niet waar.

Veel later zijn deze verhalen pas opgeschreven en bewaard. Bewaard op plekken waar ze niet verloren zouden gaan en waar ze goed beschermd worden. Dat zijn archieven. Een archief is dus eigenlijk een ‘Huis van het Verleden.’ Het Westfries Archief is zo’n ‘Huis van het Verleden’.

Een aantal van mijn boeken spelen zich af in het heden en daarvoor heb ik het Westfries Archief niet nodig, maar zes van mijn boeken zijn historische kinder- of jeugdboeken. En dan komt het Westfries Archief wel degelijk om de hoek kijken als belangrijke steun bij het schrijven. Vooral omdat de meeste verhalen te maken hebben met ware gebeurtenissen in Hoorn of de omgeving van Hoorn.

In welk opzicht is het Archief een belangrijk hulpmiddel voor mij als schrijver?

Ik wil het deze middag graag toespitsen op een van mijn boeken, namelijk ‘De waterwolf’. Laat ik allereerst vertellen waar het boek ‘De Waterwolf’ over gaat. In ‘De waterwolf‘ vertel ik het verhaal van een grote doorbraak van de Zuiderzeedijk vlakbij Hoorn in 1675.

Tijdens een hevige stormvloed op 17 november 1675 breekt de Zuiderzeedijk door. Het boerenechtpaar Andries Reinertsz en Aaltje Fransz woont met hun tweeling Micha en Nynke in Mariawoude, in een polder pal achter de dijk. Het is nacht, het is koud, een geweldige storm giert om de kleine boerderij. Angstig ziet de familie het water in de hoeve langs de muren omhoog kruipen…

Hoe kwam ik op het idee?

Je komt op ideeën voor verhalen door het lezen van de krant, het luisteren naar verhalen van anderen, het bezoeken van tentoonstellingen enz. In het geval van ‘De waterwolf’ werd het idee geboren na het lezen van het tijdschrift ‘De strijd tegen het water’ in de geweldige historische serie over West-Friesland ‘Ach…lieve tijdWest-Friesland’. Toen ik niet lang daarna langs de dijk richting Schardam fietste en het monument bekeek, groeide het idee: ik stond boven op de dijk, keek beurtelings naar het water van het IJsselmeer, de vroegere Zuiderzee, en naar het lage polderland dat zich eindeloos ver uitstrekte. Ik staarde naar het ronde watertje onder aan de dijk, dat al ruim 325 jaar het zichtbare overblijfsel is van de ramp die zich daar afspeelde: de dijkdoorbraak in 1675.

Starend naar het water gaan mijn gedachten 325 jaar terug. Stel dat er een boerderij vlak aan deze dijk lag, in wat voor angst moet zo’n boerengezin geleefd hebben, elk jaar weer wanneer de herfst kwam en de novemberstormen zouden komen. Als ze op de zolder van hun boerderijtje stonden, konden ze misschien net boven de dijk uit kijken, waar het water hoog tegenaan spoelde. Wat een angstig leven voor de boer, zijn vrouw en hun kleine kinderen.

Op dat moment besloot ik er een verhaal over te schrijven met als onderwerp de eeuwige strijd tegen het water van de mens waarvan het land nu eenmaal onder de zeespiegel ligt. Ik wilde hun strijd, hun angst, hun zorg en hun verdriet beschrijven en doorgeven aan de kinderen van nu. Zij moeten weten hoe onze voorouders geworsteld hebben, hardnekkig strijd voerden en nooit opgaven door te vertrekken, maar koppig, soms tegen beter weten in, bleven volhouden.

In mijn gedachten waren de belangrijkste elementen voor een verhaal geboren: ik wilde vertellen hoe een boerengezin, wonend in hun boerderijtje vlakbij de Omringdijk, de dijkdoorbraak meemaakte.

Hoe verzamelde ik mijn bronnen die de basis waren voor mijn verhaal?

Daarna komt de periode van het verzamelen van meer bronnen. Andere bronnen. Ik begon met het raadplegen van internet met als trefwoorden ’dijkdoorbraak in 1675 bij Schardam’. Deze zoektocht leverde al de nodige informatie op.

Maar ik wilde meer weten. Ik maakte contact met het Westfries Archief en ik trof het. Een van de medewerkers, Jan de Bruin had, in samenwerking met Diederik Aten, kort daarvoor een boekje geschreven over de zorg voor de Omringdijk en de watersnood van 1675. Het boekje heet ‘De gemene dijk’. Deze fraaie symbolische titel geeft aan dat de dijk een gemeenschappelijk belang was, maar ook gemeen kon zijn. Dit zeer lezenswaardige boekje verhaalt van het wel en wee van de Omringdijk vanaf het eerste begin tot vandaag de dag.

Dit boekje was voor mij een zeer bruikbare bron. Immers, wil je een verhaal vertellen, gebaseerd op waargebeurde feiten, zul je eerst de echte feiten moeten kennen voordat je je fantasie zijn werk laat doen.

Ik leerde er veel van: over de ware toedracht van de ramp die in 3 fasen verliep, verdeeld over drie stormen, over de grote omvang van de watersnood, wie er voor de dijk zorgde, hoe een dijk werd gebouwd - ik hadaltijd het idee dat een dijk niet veel meer was dan een hoop gestorte aarde -- wie de dijk aanlegde, hoe de dijken zwakker werden enz. enz.

Terwijl je als schrijver dergelijke bronnen leest, gaat het verhaal langzaam groeien in gedachten. Je ziet in beelden de ramp gebeuren en door de uitvoerige beschrijving van de feiten zie je al beelden van het boerengezin in nood. Je ziet het water stijgen en omhoog kruipen langs de muren van de boerderij. Je hoort ze tegen elkaar roepen wat te doen…

Een ander voordeel van het boekje waren de illustraties. Vaak zeggen beelden veel meer dan woorden. In het boekje staat een afbeelding van een paar koeien in een schuit en ik wist meteen dat ik dat in mijn verhaal wilde gebruiken: het moeizame redden van een deel van het vee tijdens een watersnoodramp.

Deze beelden deden me denken aan een andere ramp. Ik dacht plotseling aan het boek dat ik in mijn boekenkast heb staan en dat nog van mijn vader was. Dat boek heet ‘De ramp’ en bevat schokkende beelden van de watersnoodramp in Zeeland in 1953. Die foto’s van huizen die tot aan het dak onder water staan hebben op mij altijd een onuitwisbare indruk achtergelaten. Ik was 5 jaar toen de ramp zich voltrok in Zeeland.

Ik raadpleegde boeken in het Westfries Archief zelf die betrekking hebben op dijkdoorbraken en overstromingen.

Ik vroeg medewerkers van het Westfries Archief om raad. Zij weten veel meer over het verleden dan ik.

Andere bronnen

Zodra een idee over een boek bij een schrijver in zijn gedachten zit, let hij op alles. Bij alles wat hij ziet, leest, ervaart, denkt hij: kan ik dat gebruiken voor mijn verhaal?

In de periode van ‘De waterwolf’ kwam ik ergens de term ‘waterwolf’ tegen en denkend aan het boerengezin dat te maken kreeg met het altijd dreigende gevaar van een overstroming, leek me dat een mooie titel voor het boek.

Ik las in die tijd een artikel over Mariaprocessies. Zelf had ik tijdens een vakantie een jaar ervoor een Mariaprocessie in een dorp in Portugal meegemaakt die veel indruk op mij gemaakt had. Ik kwam op het idee het boek te laten beginnen met een Mariaprocessie. Dat combineerde ik met een andere bron, een legende, over een aan de dijk aangespoeld Mariabeeld. Ik besloot kinderen het beeld te laten vinden, een kapelletje met het Mariabeeld op de dijk te zetten als doel van de jaarlijkse processie vanuit het dorp Mariawoude. Het doel van de processie was natuurlijk de bescherming van Maria af te smeken tegen de voortdurende dreiging van dijkdoorbraken en overstromingen.

Het leek me een mooi begin van het boek, maar toen ik erover sprak met Jan de Bruin van het Westfries Archief, floot hij me terug. Wat was namelijk het geval? Het jaar 1675 is een eeuw na het begin van de Hervorming. Het was ondenkbaar dat dát in die tijd kon gebeuren. Wat te doen want ik hechtte zeer aan de processie in het begin van het verhaal omdat ik intussen had bedacht dat ik het beeld, drijvend op de golven, aan het slot van mijn verhaal wilde laten terugkeren? Na overleg met Jan kwam ik tot een soort compromis: ik gebruikte als naam een fantasiedorp, Mariawoude geheten, gelegen langs de Zuiderzeedijk ergens tussen Hoorn en Amsterdam. Het zou een dorp worden met een schuur als katholieke schuilkerk en de processie zou heimelijk na zonsondergang plaatsvinden.

Wat ik hiermee wil zeggen is dat je altijd hulp nodig hebt van deskundigen die je behoeden voor blunders. Die mensen werken onder andere bij het Archief.

Zo verzamelde ik gedurende drie maanden via allerlei bronnen genoeg materiaal voor het schrijven van mijn verhaal.

Hoe maak je van al die aantekeningen een verhaal?

Als schrijver van een verhaal dat op ware feiten berust, heb je het gemakkelijk: de gebeurtenissen zijn er al. Je hoeft er alleen nog maar een verhaal van te maken, de verzamelde feiten aan elkaar te rijgen. Dat was in dit geval niet zo moeilijk. Het verhaal schreef zichzelf min of meer. De dijk breekt door een eerste keer, de familie weet de boerderij nog droog te houden, maar bij de tweede en de derde doorbraak is er geen redden meer aan. De eerste slachtoffers zijn intussen gevallen. Het water stijgt hun letterlijk tot de lippen. Ze vluchten met hun kostbare spullen naar de zolder, maar het wassende water klimt achter hen aan ook de trap op. Ze hebben niet meer dan twee van hun vijf koeien in hun schuit kunnen zetten. De andere koeien drijven al gauw de stal uit. Nee, Maria heeft ze dit keer niet kunnen beschermen, waarover de dochter erg boos is. Het water komt zelfs de zolder op en ze weten net op tijd door het dakraam te ontsnappen op een vlot. Het gevaar bestaat dat ze in de sterke stroming bij eb door het grote gat in de dijk de Zuiderzee op worden gedreven. En dat alles in een striemende regen en een ijzige kou. We zitten immers in november/december. Ze zien van alles en nog wat langs drijven: houten schuren, kadavers van koeien, zelfs dode lichamen van mensen… Gelukkig weten ze voordat ze met de sterke stroom terug de zee opdrijven zich vast te houden aan de spits van een kerktoren die nog boven water uitsteekt. Daar wachten ze op hulp. Die niet komt, zoals vandaag de dag een uur na een overstroming in de vorm van een helikopter, maar in de vorm van een schuit met redders die over het water roepen op zoek naar overlevenden. En die hulp komt er…

Dat was grotendeels mijn fantasie, maar wel ondersteund door veel bronnen.

Ik wilde een vertelling schrijven over een gezin dat zo’n overstroming aan den lijve ondervindt. Niet alleen vertellen over de constante dreiging van de Zuiderzee op nog geen vijftig meter afstand, maar ook over de angst en het verdriet van de gezinsleden: de vader, de moeder, de twee kinderen van rond de 12 jaar. Hoe zij de dreiging voelden, wat zij eraan deden om het gevaar het hoofd te bieden, de dankbaarheid als ze weer een herfst en winter zonder kleerscheuren waren doorgekomen, het leven van alledag van kinderen in die tijd, hun kleine geluk en ongeluk enz.

Want ik ben ervan overtuigd dat elk historisch verhaal veel zegt over de tijd van nu. Heel veel zaken zijn nooit veranderd, zoals menselijke eigenschappen als verdriet, vreugde, hebzucht, egoïsme. Bovendien hebben we altijd meer verleden dan we denken. Bovendien, een mens zonder kennis van het verleden, blijft een kind…

Wij zijn dus zelf ons verleden. In het Westfries Archief, dit mooie ‘Huis van het Verleden’ vind je ook jezelf terug!

Top

Site by Nico Schuyt WebTechnologie