De gestrande Meermin
Presentatie op het schip de Siluris

De auteurs, André en Nienke Nuyens, vonden het een aardig idee hun nieuwe boek ‘De gestrande Meermin’, dat zich voor een groot deel op een schip afspeelt, aan familie en vrienden te presenteren op een boot. En aangezien familielid Pieter Schellings de trotse eigenaar is van de Siluris én de hoofdpersoon in het verhaal Jeronimus Schellings heet, hebben zij hem gevraagd of de presentatie op zijn schip zou mogen plaatsvinden.

Pieter en Rita, bedankt voor jullie bereidheid het schip hiervoor uit te lenen.

Omringd door vrienden en familieleden schetste André de achtergronden van het boek:

Zou je Holland in de tijd van de VOC een schurkenstaat mogen noemen? Toenmalige bewoners van de Banda Eilanden zouden niet lang geaarzeld de VOC en Holland zo te betitelen.

Ze zouden vooral gewezen hebben naar Jan Pieterszoon Coen, de opperkoopman en latere gouverneur van Nederlands-Indië, die er niet voor terugdeinsde zijn doel met bruut geweld af te dwingen.

Jan Pieterszoon Coen maakte zich schuldig aan marteling en genocide toen hij in 1621 met een leger van 200 man de Banda Eilanden overrompelde, een groot gebied aan specerijenplantages liet platbranden en zo’n 15000 eilanders de dood injoeg.

En wat was de reden voor deze volkerenmoord? De eilanders hadden zich niet gehouden aan de eenzijdig afgesproken overeenkomst met de VOC dat ze hun nootmuskaat alleen aan de Hollanders mochten verkopen voor een lage prijs. Zo legde de VOC hun monopolie op.

De bewindhebbers van de VOC die kantoor hielden in het Oost-Indisch Huis in de Amsterdamse Hoogstraat waren niet echt verrukt van Coens gewelddadige optreden, maar de opbrengst van zijn acties vergoedde veel. En uiteindelijk was dat waar het om ging. Mensenlevens telden niet, de Hollanders gingen voor de winst. Ook dat is de VOC- mentaliteit…

Er zijn mensen die zeggen dat je je eigen nest niet moet bevuilen, anderen die beweren dat je dat alles moet zien in het licht van de tijd. Dat is allemaal waar, maar het neemt niet weg dat je bepaalde verrichtingen in de geschiedenis van ons land niet mag herwaarderen.

Wat mij betreft mag het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen vandaag nog verdwijnen van zijn prominente plaats midden op het mooi bollende plein De Roode Steen in Hoorn. Er zijn vele andere figuren uit de geschiedenis van Hoorn die een standbeeld verdienen en daar zouden kunnen staan. Bijvoorbeeld een standbeeld van de ontwerper van het zo succesvolle scheepstype het fluitschip, de Hoornse scheepsbouwer en koopman Liorne.

Waarom vertel ik dit? Omdat het niet de enige misser is in de geschiedenis van de VOC. Ze hebben meer dingen gedaan die het daglicht niet konden velen. Zoals slaventransporten uit Madagaskar. Daar werden met zekere regelmaat door kooplieden slaven uit het binnenland opgehaald om ze te laten werken op de plantages van ons bolwerk op De Kaap waar de schepen uit Nederland aanmeerden om verse voorraden water, groente, fruit en vlees aan boord te nemen alvorens verder te varen naar Oost-Indië

Het verhaal van Nienke en mij gaat over zo’n transport. Uiteraard was het van de VOC een weloverwogen besluit geweest. De koopwaar, zoals de slaven genoemd werden, uit Oost-Indië of India was beter. De slaven daar waren sterker en gingen langer mee. Maar de reis ernaartoe duurde langer en de gevaren waren vele: ziekte, schipbreuk, overvallen door Engelse of Portugese schepen maakten zo’n transport risicovol. Nee, het was beter naar Madagaskar te varen en daar dorpen in het binnenland te overvallen. Voor geweren en kleding kon je genoeg slaven krijgen. En ook al waren ze dan niet opperbest, de reis duurde maar een week of drie en dan was de vracht al binnen.

De slaven werden overigens goed behandeld, zowel aan boord als op de plantages. Dit in tegenstelling tot wat velen denken. Maar de motivatie was weer het resultaat van Hollandse koopmansgeest: een onderweg gestorven slaag verminderde de waarde van de vracht. En de Hollanders hadden ontdekt dat de slaven op de plantages harder werkten als je ze fatsoenlijk behandelde. Ook die houding kwam niet voort uit medelijden of menselijkheid, maar uit economische overwegingen.

Nienke en ik laten in het boek zien hoe zo’n transport verliep. De aanleiding voor het schrijven van ons boek was een artikel in de Volkskrant van maart 2006. In dat artikel werd gesproken over Jaco Boshoff, een maritiem archeoloog, zeg maar een schatgraver op zee, die op zoek was naar de vindplaats van het schip ‘De Meermin’ dat hier in de buurt van het huidige Kaapstad gestrand was en nu diep onder het zand begraven moet liggen. Hij hoopt nog steeds een van de speren te vinden waarmee de slaven in opstand kwamen. Hij vindt het belangrijk die vernederende episode uit de geschiedenis van Zuid-Afrika aan te vullen met duidelijke bewijzen. Ik heb heel veel moeite moeten doen om een origineel document, een brief die op het schip in nood werd geschreven, te krijgen om het op te nemen in het boek. Ben heeft die brief ontcijferd en vertaald.

We hebben ons gebaseerd op een nauwkeurig verslag van een proces dat de VOC de kapitein van het schip ‘De Meermin’ aandeed omdat hij verantwoordelijk werd gesteld voor de opstand van de slaven en het verlies van het VOC-schip. Niet dat het proces voor ons zo belangrijk was, maar gedurende dat proces kwam de hele tocht naar Madagaskar en alle rampzalige gevolgen van dien aan de orde.

Wij maakten er een raamvertelling van die in het heden start en via een lijntje terugkeert naar het historische deel van het verhaal. Nienke nam de hoofdstukken voor haar rekening die in het heden spelen en ik - ik ben tenslotte ouder - het historische verhaal.

Het klinkt allemaal somber, maar in beide verhalen, dat van het heden en dat uit het verleden, loopt het goed af.
Wij wensen jullie veel leesplezier toe!

kapitein Pieter Schellings
 

Top

Site by Nico Schuyt WebTechnologie